De grondslag voor de Leidraad bij Boomschade (juridisch)
Bij het registreren van schade aan een boom is een duidelijke maatlat noodzakelijk. Waarmee vergelijk je de boom om de waarde te bepalen? Er is immers geen verzekeringspolis waarin de waarde(=maatlat) is opgenomen. Soms staat in contracten een waarde of een systeem om de schade vast te stellen. Beschikt men over een factuur van de aanschaf? Dan geeft dat soms enige houvast. Maar wat te doen als de boom tientallen jaren oud is? Moet op de getaxeerde prijs worden afgeschreven zoals de NVTB doet, of neemt de waarde van de boom juist toe naarmate hij ouder wordt?

Om dit te beoordelen, is inzicht in de wettelijke bepalingen nodig. Kort samengevat:
Schade is het nadeel of verlies dat iemand lijdt door een gebeurtenis, handeling of nalatigheid, waardoor een beschermd recht – eigendom - wordt aangetast.
Schadevergoeding is de vergoeding die een aansprakelijke partij moet betalen om de geleden schade te herstellen of te compenseren. Dit kan in natura of in geld.
Op geld waardeerbaar betekend dat het nadeel dient te kunnen worden omgerekend naar een geldbedrag, dat geldbedrag kan ook bij benadering zijn.
Belangrijke wettelijke artikelen zijn onder andere:
- Artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad)
- Artikel 6:95 (vermogensschade)
- Artikel 6:106 BW (smartengeld)
Bovenstaand lijstje is niet compleet maar geeft wel een paar van de belangrijkste artikelen weer.
Jurisprudentie: Hoge Raad uit 2017
In 2017 oordeelde de Hoge Raad over een specifieke boomschade in de zaak Liander tegen gemeente Heiloo. Het ging om wortelschade veroorzaakt door het plaatsen van een elektriciteitskastje. De schade werd toen getaxeerd - op basis van het Rekenmodel NVTB 2010 - op: € 5.318,00. De toelaatbaarheid van het rekenmodel van de NVTB stond in deze zaak centraal.
De Hoge Raad verlaat hierbij de werkwijze van de NVTB en stelde dat een abstracte en theoretische waardevermeerdering - zoals de NVTB doet - niet meer mag worden toegepast. Maar ook de werkwijze van het inschatten van goede en kwade kansen van toekomstige ontwikkelingen bij bomen zoals de NVTB veelvuldig doet dient te worden verlaten. De Hoge Raad stelde dat schade maar ook de waarde aan een boom concreet en feitelijk dient te worden benaderd. Dat is dus net zoals schade aan alle andere “zaken” (zoals bijvoorbeeld meubels of voertuigen).
Dit betekent:
Concrete schade: De schade dient concreet aanwezig te zijn. Een boom dient bijvoorbeeld – bij een Total loss - dus feitelijk dood te zijn. Er mag niet meer worden gesteld dat deze bijvoorbeeld pas over een aantal jaar – waarschijnlijk - dood zal gaan.
Partiële schade: De schade begroten op basis van de werkelijk te maken directe kosten voor begeleiding en controle van het zelfherstel plus de eventuele feitelijke herstelkosten, zoals bijvoorbeeld extra snoei, van de onderhavige beschadiging plus eventuele bijkomende kosten zoals verkeersmaatregelen.
Totaal verlies: Alle gemaakte kosten vanaf het moment van de aanschaf en inplanten van de boom in het verleden tot aan het moment van uitval plus daarnaast ook de kosten van het inplanten van weer een nieuwe boom met de gebruikelijke plantmaat en bijkomende kosten zoals bijvoorbeeld verkeersmaatregelen.
Kortom: de waardebepaling van boomschade moet concreet en feitelijk zijn, en gelijk zijn aan de methodiek zoals bij alle overige roerende zaken. Dat is dan ook precies de lijn (6:162 BW) welke de Leidraad bij Boomschade nauwgezet volgt.
De NVTB en het Norminstituut wijken daarvan af en beperken zich tot contractuele schade (6:74 BW). Dat kunnen en mogen ze uiteraard doen. Dan moeten wel alle betrokken partijen daar mee instemmen. Maar echter kan dat niet zondermeer worden toegepast bij schades voortkomend uit alleen de onrechtmatige daad (6:162 BW) waar geen contractuele bepalingen van toepassing zijn. Door deze organisaties wordt geen concrete en feitelijke schadebegroting of waardering van de boom gemaakt zoals door de Hoge Raad heeft bepaalt. Daardoor zijn de Rekenmethode en het Handboek methoden dus niet (automatisch) van toepassing bij aansprakelijkheid op basis van 6:162 BW maar pas nadat alle betrokken partijen deze van toepassing verklaren.
